vrijdag 14 januari 2011

Opa Kunst

Ik heb zo het nodige meegemaakt met IJslanders en IJslandse paarden, maar er is ook leven naast die passie voor IJslanders. en daar valt ook heel wat over te vertellen. Over schilderachtige familieleden, over avonturen op het water en een hele reeks merkwaardige en soms zelfs onwaarschijnlijke belevenissen in de werksfeer. Er valt dus nog heel wat te bloggen. Maar ook de voorraad belevenissen met en rond IJslandse paarden is nog lang niet uitgeput

Ik heb mijn grootouders van vaders kant nooit in levende lijve ontmoet. Mijn grootouders van moederskant wel. Opa heeft maar enkele jaren deel uitgemaakt van mijn leven, maar de indruk die hij op mij maakte was onuitwisbaar. Ik herinner me mijn Opa als een klein mannetje met een scherp gezicht en ondeugende pretoogjes. Hij stierf toen ik nog maar een jaar of zeven was. Oma overleefde hem tientallen jaren, maar dat was achteraf niet zo verwonderlijk. Tot aan de huwelijksplechtigheid dacht oma dat opa elf jaar ouder was dan zij en dat vond ze eigenlijk al een heel verschil, maar bij het voorlezen van de acte bleek dat hij eenentwintig jaar ouder was. Hun huwelijk ontplofte bijna al voor het goed en wel begonnen was.Dat was nou typisch Opa. Opa is eigenlijk zijn hele leven kind gebleven en hij leefde in een eigen afgesloten wereldje. Daarin was geen plaats voor de oorlog of ander ongerief. Die oorlog is hem dan ook grotendeels ontgaan. Oma moest overal voor zorgen terwijl Opa doorging met experimenteren met zijn pigmenten en verfpoeders. Want Opa had als meester verfmaker bij VVV (Verf Van Vettewinkel) zijn eigen receptenboekje en toen hij met pensioen ging had hij dat niet willen afgeven. Geen gouden horloge voor Opa dus. En geen extra pensioen, maar alleen “van Drees”. Oma en directeur Vettewinkel himself beide verbolgen. Opa stoïcijns. Alsof de consequentie van zijn houding hem ontging.

Hij ging onverstoorbaar verder met verf maken in hoeveelheden die niemand afnam. Hij schilderde zijn tuinhuisje achter in de vochtige donkere binnentuin aan de Amsterdamse Rustenburgerstraat twee, soms drie keer per jaar, maar hij bleef omkomen in de verf. Toen hij een volkstuintje kreeg werd daar van sloophout (verpakkingskratten) een bunker van een tuinhuis gebouwd. vier lagen ruw hout dik. Dat zoog heel wat verf op dus daar kon hij weer heel wat verf in kwijt, maar de voorraden bleven oplopen. ook het volgens de regels van de kunst afbranden van oude verflagen, zodat er drie tot vier verfbeurten nodig waren, bood geen blijvende oplossing voor de ontstane verfplas.

Opa komt...Opa komt! Het was een bericht dat direct aanleiding gaf tot grote voorpret en gespannen verwachting.

Opa was voor mij en mijn zusje altijd het middelpunt van alles. Als hij op bezoek kwam (samen met Oma met een Tante mee in de auto) was het huis te klein. Als we hoorden dat hij kwam, waren we dagen van te voren al door het dolle. Opa’s bezoeken waren dan ook ronduit spectaculair. Opa kende de meest spannende kunstjes zoals het bouwen van spectaculaire kaartenhuizen waar lang van te voren pakken speelkaarten voor werden bewaard of gebietst bij alle buren in de straat.

En opa bouwde vliegers. Als manneke van nog geen 1 meter 60, leerde hij mij vliegers bouwen van twee meter hoog en zelfs hoger, beplakt met driedubbele lagen speciaal vliegerperkament. Ik kan het nog steeds. Die vliegers bouwen. Ze waren zo groot dat met een beetje wind Opa ze al bijna niet kon houden en ik in mijn eentje zeker niet. Maar met zijn tweeën ging het (meestal) net. We maakten er het veld voor mijn ouderlijk huis in Zandvoort ernstig mee onveilig. Dat veld maakte deel uit van ‘de reep’, de strook grond van het strand tot de achter het duin gelegen strook met duinpannen en bebouwing. De reep was eigenlijk de zeewering van Zandvoort. Dus bijna altijd wind en (in die tijd nog) geen huizen en andere storende bebouwing. En dat was maar goed ook. Bij een beetje wind hadden die reuzenvliegers een emmer zand aan hun staart nodig om te voorkomen dat ze op hun kop gingen staan en in de grond doken. En soms deden ze dat met die emmer zand toch. En dan werd het kritiek. Een keer scheerde de vlieger inclusief de emmer zand als een gevaarlijk projectiel vlak over de hoofden van badgasten op weg naar het strand. Een andere keer viel al het zand uit de emmer op de hoofden van overstekende badgasten en vervolgens boorde de volstrekt onbestuurbaar geworden vlieger zich in een ruit van een nabij gelegen woonhuis. Opa liet het vliegertouw los alsof hij er zich aan brandde en sprak de onvergetelijke woorden: “Kom jongen, we gaan een eindje wandelen.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten